Na de kaalslag in maart, bracht april een stevig herstel op de financiële markten. Een staakt-het-vuren in het Midden-Oosten zorgde voor de nodige kalmte op de markt, maar fundamenteel is er nog steeds geen oplossing voor de blokkade van de Straat van Hormuz. Van een ontspanning in de olieprijs was dan ook geen sprake. Op maandbasis steeg de prijs voor een vat Brentolie met 6,2% tot 110,4 dollar.
Ondanks de prijsstijging wist de S&P 500 met 10,4% en de Nasdaq Composite met 15,3% op maandbasis te herstellen. In Europa was er een mildere rebound, volledig te wijten aan onze meer afhankelijke positie wat energiebevoorrading betreft. De Euro Stoxx 50 won ‘slechts’ 5,6%.
April illustreert dat de markten niet zozeer bang zijn voor slecht nieuws, maar wel voor onzekerheden die zich niet laten kneden. Als de prijs voor een vat olie niet verder richting 150 tot 200 dollar stijgt door nieuwe escalaties, lijkt het alsof de markt hiermee kan leven. De onzekerheid is weliswaar niet verdwenen, maar die valt te modelleren. Hogere inflatie? Het lijkt momenteel een niet al te groot probleem, zolang het niet de spuigaten uitloopt. De Europese inflatie steeg op maandbasis van 2,6% naar 3%.. De cijfers in de VS zijn op moment van schrijven nog niet gepubliceerd, maar zij bedroegen over maart 3,3%. Resultaten die beter kunnen, maar voor de markt totaal geen ramp. De focus ligt momenteel niet op renteverlagingen.
Natuurlijk leiden hogere inflatiecijfers en dito rentes tot een lagere economische groei, maar beleggers hopen vooral dat individuele bedrijven zich aan dit gegeven aanpassen door verder in de kosten te snijden. Zwakke resultaten of wankele vooruitzichten worden vooral afgestraft als ze op een ongeloofwaardige manier worden gekaderd. Het narratief is belangrijker dan ooit. Een mooi voorbeeld vinden we in de Europese chemiesector waar heel wat bedrijven door de stijgende energieprijzen midscheeps worden geraakt. Zo kon een bedrijf als Lanxess zijn dalende volumes niet als een cyclische zwakte maskeren, terwijl BASF dat wel kon. Ook de cyclische consumentensector had het moeilijker. Een hogere inflatie eet langzaam het consumentenvertrouwen op.
Het dalende consumentenvertrouwen treft de technologiesector minder, maar hier eist de belegger tijdens het resultatenseizoen genoeg boter bij zijn sole meunière, zeker wanneer we het hebben over de bedrijven binnen de Magnificent Seven. Op het einde van de maand publiceerden zowel Alphabet, Microsoft, Meta en Amazon hun resultaten. Er was één afgetekende winnaar en dat was Alphabet. Enkel een spectaculaire ömzet- en winstgroei (liefst eentje met drie cijfers) rechtvaardigde voor beleggers de gigantische kapitaaluitgaven richting artificiële intelligentie. Meta Platforms heeft als enige geen clouddivisie waardoor het moeilijker wordt voor beleggers om het rendement op de miljardeninvesteringen binnen AI te meten. Komt hierbij dat de miljardeninvesteringen die het bedrijf in de Metaverse pompt, voorlopig niet renderen. Gevolg: de nochtans mooie resultaten van het bedrijf zorgden voor een stevige afstraffing, net omwille van de moeilijkheid om de boter bij de vis terug te vinden.
Minstens even belangrijk was het nieuws rond OpenAI. Ook al is het bedrijf niet beursgenoteerd, tegenvallend nieuws zorgt voor de nodige deining in de sector. Alle bedrijven binnen deze technologische subsector vormen één ecosysteem waar het ene bedrijf in het andere investeert. OpenAI haalde zijn eigen omzetdoelstelling niet, wat de nodige wenkbrauwen deed fronsen. Nee, de markt heeft geen probleem met hoge investeringen. Wel met hoge investeringen waarvan niemand nog overtuigend kan uitleggen waar de kasstroom precies vandaan moet komen.

